TV, Magazine en Club voor motorfans!
Promotor
 | 

Viva Al-Andalus

Sint Maarten en Nicolaas, Kerst, Oud & Nieuw en vooral die ellenlange sombere, donkere, troosteloze, natte en bovenal motorloze winter liggen in het verschiet. Maar nu nog even niet. In Andalusië is het begin november nog volop zomers en lijkt alle winterellende heel ver weg. En dat op een weg die 1.818 kilometer aan bochten kent.

Tekst en foto’s Mink Bijlsma

November in Spanje: een totaal andere wereld. Licht, kleur, bloemen, geur, zon, buiten. Ruimte, terrasjes, stress op standje 1. Het is 10 november en ik zit in mijn leren zomerpak en zomerhandschoenen op de motor. Míjn motor. Met de kerosinedampen van Aeroport d’ Alicant nog in mijn neus is het al na 20 kilometer raak: de A325. Superstrak asfalt, geen kip op de weg, de ene bocht na de andere. Links, rechts, rechts, links, dubbele rechter, linkse draaier, korte rechter, het houdt niet op. 15 km Bochtenparadijs van de vierde categorie, nog maar een half uurtje in het zadel: ‘Buenos dias! Está es España!’ hoor ik wijlen Roberto Guillermo ergens door een luidspreker kwelen.

Hakken

Heel even mogen de zijkanten van de banden afkoelen voordat de CV-840 naar Romana omhoog kronkelt. De toeristenstroom van Alicante, Benidorm, Calpe en consorten is ondertussen net als het landschap al volledig opgedroogd. Vrachtwagens met een klein wit steentje op de aanhanger als een broodtrommeltje achterop een bagagedrager vervullen hier een rol als rijdende chicane. Bij Agueña wordt de reden van dit haast kolderieke tafereel duidelijk: marmer! Veel heuvels zijn afgekalfd, tonen in de felle najaarszon hun spierwitte, loodrecht afgehakte wanden. Op een groot en vrij toegankelijk opslagterrein liggen de honderden kapitale broodtrommeltjes (bij nadere kennismaking toch best wel groot) voor het ‘oprapen’. Elke vorm van beveiliging is afwezig… en overbodig. Ik zoek een steentje uit, laat mijn bankgegevens en postbusnummer achter en vervolg mijn weg. Toegegeven: het landschap knapt er niet echt van op, maar mijn badkamer wel!

Puerto de Mazzarón is het einddoel van deze korte rijdag. Hotel aan zee, met voor Spanje verplichte boulevard. En een strand waar Schiermonnikoog nog wat van kan leren. Als ik op tijd ben, zou ik de zon vanaf mijn balkonnetje in zee moeten kunnen zien zakken… Voortmaken dus! Maar dat betekent niet dat ik de snelste weg kies, natuurlijk niet en die weg ben ik ook allang kwijt, als een boer zijn kiespijn.

Gaudí, Dalí of…

Bij El Pinõs gaat het over de RM 422 door volstrekt onaardse, diep gekloofde heuvels van zacht gesteente in alle soorten geel die er bestaan. Door de tand des tijds op de meest creatief mogelijke manier vorm gegeven. Spanje heeft bizarre kunstenaars gehad als Salvador Dalí en Antoni Gaudí, maar wie dít gemaakt heeft… Dit gebied, zeg grofweg tussen Granada en Murcia is net een maanlandschap en het zou mij niet verbazen dat in 1969 hier iemand een Amerikaanse vlag in de grond heeft geprikt in plaats van ergens anders.

Onder Casas Nuevas de la Costera worden het landschap, de wegen en de scheurneus in mij weer wat rustiger. Glooiend landschap, weidse blikken, tijd om het wat kalmer aan te doen. De Tiger spint rustig in zijn zes, de zon zakt snel. Murcia wordt kleiner in mijn spiegels.

Cartagena houd ik vakkundig links. Om in de veilige haven van Mazzarón te komen moet ik ´helaas´ nog een bergruggetje overwinnen. En dat betekent weer bochten, bochten en nog eens bochten. Ik heb er vandaag al meer gehad dan in de eerste 10 maanden van het jaar en ben hoe dan ook te laat om de zon in zee te zien zakken. Miljoenen jaren te laat zelfs, want vulkaanuitbarstingen hebben een bergmassief gevormd waardoor de zon niet in het water verdwijnt, maar achter de gitzwarte bergen.

Plastic Valley

Vogels fluiten me in alle vroegte wakker. Dat komt mooi uit want ik had gister vanaf het balkon een niet in de routeplanning staand gravelpad langs de kust ontdekt. Ondanks dat de Tiger 1050 alles behalve een allroad is, is het pad goed berijdbaar. Links de zee, rechts een dor, kaal heuvellandschap. Hier valt per jaar net zoveel regen als in Nederland op 10 november… Het pad kronkelt langs de kustlijn en een aantal schilderachtige Playa Nudista. De gemiddelde leeftijd van de badgast is echter zo’n 70 jaar, de stranden zullen dus weinig boeien. Na 15 km gravel ineens een volstrekt ander landschap. ‘Iets’ minder schoon, letterlijk en figuurlijk: Plastic Valley. In ontelbare kassen, gemaakt van polyetertroep, worden bananen en tomaten klaargestoomd voor export naar Nederland. Het voor de teelt ‘broodnodige’ water komt uit energieverslindende ontziltingsfabrieken. De bergen vrijgekomen zout zouden ze best met de oogst mee kunnen sturen… als strooizout tegen de gladheid in Nederland. Hier onder de warme zon hebben ze er niks aan.

De vallei is gelukkig niet al te breed en al snel dient de volgende bergrug, een soort Black Mountains zich aan, met weer de nodige bochten. Na de top ontvouwt zich het volgende Alberto Cubo-plaatje: knalgroene akkers in het droogste en warmste deel van Spanje. Je gelooft het niet: ijsbergsla. Toch is het waar: kijk maar op de verpakking bij AH. Maar wie die naam bedacht heeft?

Cabo de Gata

Cabo de Gata ligt in het verschiet in het meest zuidoostelijke deel van Spanje. Eén van de vele Parques Nacionales. Hoogbouw is er niet toegestaan en dus is het gebied weinig interessant voor projectontwikkelaars en dus een kweekvijver voor motorplezier. Helaas hebben de wat rijkere Spanjaarden het nadeel van massatoerisme ook ontdekt en… zijn er zelf gaan bouwen. De zogenaamde Urbanicaciones, buitencomplexen en vakantiewijken die alleen maar in de weekeinden en zomermaanden bevolkt zijn, bedreigen echter wel het motorplezier. Villacaneros en Mojácar met hun home made toeristen en Carboneras met zijn cementindustrie zijn thuis vanachter de computer met Google Maps al op even listige als onzichtbare wijze ontweken. Heel stiekem loopt ‘achterlangs’, dwars door de heuvels een weggetje dat alleen bij locals bekend is en op de meeste analoge en zelfs digitale kaarten niet te vinden is. Door deze ‘magistrale vondst’ wordt de costale landschapsvervuiling listig omzeild.

Het hotel voor vanavond ligt zo’n 28 kilometer noordelijk van Almería. Maar vlak voor Nijár moet ik een zeer belangrijke beslissing nemen. De kortste weg over de snelweg waar Belèn het bad met 38 graden heet bronwater vol zou laten lopen. Of nog een slingerroute door Sierra Alhamilla en pakweg 254 bochten. Eerst het laatste en daarna het eerste.

Sneeuw…

De Alpujjaras is een brede vallei dat aan de heup van de Sierra Nevada ligt.’Hé Bijlsma! Wat is dat nou weer voor uitdrukking?’ Met een hoogte tussen 500 en 800 meter boven zeeniveau kun je moeilijk zeggen dat het aan de voet ligt van… toch? Los daarvan: het zou wat onderdanig en minderwaardig over kunnen komen. De Alpujjaras is óók en wéér van een bijzondere schoonheid met een fantastische weg er doorheen. In Nederland gaan de motoren de winterstalling in, hier kennen ze het bestaan van dergelijke bouwwerken niet ens. Hoewel de gemeten temperatuur op deze hoogte ‘slechts’ 18 graden is, is de gevoelstemperatuur 25. De zon doet ook vandaag weer zijn uiterste best. Rechts tekenen de witte bergtoppen van de Sierra Nevada zich strak af tegen de knalblauwe lucht. Via een bizar knap staaltje van stuwmeerbouwkunst en drie generaties wegenbouw er door, boven en langs, leidt mijn weg door een zwartgeblakerd bos maar over ongeschonden asfalt, heel bewust weer terug naar de kust. Daar waar ik heen wil. Met nog 35 kilometer aan slingerende kustweg te gaan waarbij ik niet weet of ik nou op de omgeving of de bochten moet letten ligt het hotel in Maro.

Zondag racedag

Het gegil van een tot 14.000 toeren opgezweepte Honda Fireblade in Repsol-uitvoering wekt mij de volgende morgen in plaats van tsjilpende vogels. Een, twee, drie keer doorschakelen: het betekent minstens 200 km/u. Op de rotonde onderaan het hotel wordt gekeerd en… daar gaat hij weer. De laatste 10,5 km gister was inderdaad om je stepjes bij af te vijlen. Een Ducati Panigale volgt. En daarna een ZX-10 R en ander sportief gekuipt spul. Het toneelstuk herhaalt zich een keer of vijf, dan lijkt het voor de zondagochtendcoureurs tijd om even uit te blazen op een provisorische pitstraat. In Nederland zou deze weg al jaren geleden zijn afgesloten, alle uitlaten (want demperloos) in beslag genomen en de eigenaren in een gesticht zijn opgesloten. Hier is het volstrekt normaal. Geen wandelaar, wielrenner, buschauffeur, zelfs de bemanning van paard met wagen die zich stoort aan met 200 km/u, 103 dB en schrapende knee-pads voorbijrazende motorrijders. Spanje: me encanta!

Na 42 km onderdeel te zijn geweest van dit gezelschap, begeleidt een stuk A7 mij tot Torre del Mar om via de A 356 weer landinwaarts te draaien. Lange slingers leiden door steeds groener wordend landschap, fraaie heuvels, grillige rotsen en het betere draai- en kapwerk naar Paraje Natural Torcal de Antequera. Dat is een soort tafelberg maar dan van zacht kalksteen, puntige rotsen, grillige zuilen en ‘plat op elkaar gestapelde stenen’. Niet gebeeldhouwd door de neolithische mens die hier 250.000 jaar geleden op zeeniveau geleefd schijnt te hebben, maar zo geërodeerd door wind en water. Ondertussen ligt de zeebodem op ruim 1.000 meter hoogte en ondanks de afspraak daar niet boven uit te willen stijgen, gaat het voor een kort en kil bezoek toch even links af om even door de voorkamer van het hart van El Torcal te rijden.

Muntenmuseum

Veel tijd voor het bezichtigen, laat staan een wandeling is er niet want als gepassioneerd muntenverzamelaar staat een bezoek aan s’ werelds grootste muntenmuseum in het plaatsje Coín op de agenda. De route loopt onder Antequera door, het asfalt van de A 355 wordt tegen alle Spaanse gebruiken en gewoontes in tamelijk slecht. Blij dat ik niet chopper rij. Hier ergens in de buurt moet de Camino del Rey, het zeer spectaculaire koningspad te bewandelen zijn. Ook daarvoor geen tijd. Aangekomen in Coín blijkt het museum echter alleen op de eerste dag van april open te zijn. De teleurstelling duurt exact drie bochten op het inmiddels weer superstrakke asfalt. Bij de afslag naar Ojén verlaat ik kortstondig de doorgaande weg voor een verplichte stop bij motorcafé Casa Antonio. Niet vanwege de gezellige motorsfeer, maar omdat je voor €6,- vier verschillende tapa’s, een glas vino tinto én een café cortado krijgt. Cortado por favor, want de Carretera del Rey, de koninsgweg voor motorrijders van San Pedro Alcántara naar Ronda lonkt. 44 km Aaneengeschakelde, voorspelbare en overzichtelijke bochten, met raceasfalt en borden met nose wheeliende motoren die waarschuwen voor traag voortschrijdende automobilisten… Volgens de legende is de A 397 door 13-voudig wegracekampioen Angel Nieto ontworpen. En hij wist wat sturen was. Dus: vamos!

Keerpunt

Het was moeilijk gisteren. Na 40 km terug, om de King of All Roads nog een keer te temmen of meteen door naar het schitterende Ronda om te voet de oude binnenstad te verkennen. Of om naar de flamenco show te gaan. Of van de laatste, zachte zonnestralen genieten in Hotel San Miguel, dat op de rand van de Tajo Ronda ligt die de stad in tweeën klieft. Daar, waar ik nu in de volle ochtendzon een bescheiden desayuno tot mij neem. Ronda betekent het keerpunt. Niet in het Spaans, maar voor deze reis. Over zacht glooiende wegen en lieflijke groene heuvels, langs de wonderschone diepblauwe Embalsa de Guadalhorce en (weer) Antequera, rij ik zo de Andalusische olijfgaarden binnen. Hoe groot wil je de verschillen hebben? Spanje is verreweg de grootste olijfolieproducent, exporteur én verbruiker ter wereld. De olijfstreek ten noorden van Granada is net zo groot als half Nederland. Van Den Helder tot Delfzijl en van Arnhem tot Den Haag: alleen maar olijfbomen. Het is het begin van de oogsttijd. Overal staan ‘keuterboertjes’ met de hand de eerste olijven te plukken. Spanje zal nooit rijk worden. Kleine autootjes met kleine karretjes, onderweg van en naar de coöperatieve fabriekjes rijden af een aan in schril contrast met de vrachtauto´s met marmer eerder deze week. Het is weer een pittige, maar vreselijk mooie motordag. Over de A 399 en A 403, door schier oneindig weids landschap, fantastisch slingerende wegen, met nauwelijks verkeer en vriend zon aan de hemel. Het laatste stuk naar het grothotel Cuevas del Tio Tobas in Alcudia de Gaudíx gaat over de vierbaans A92. En zelfs ik, de grootse snelweghater ter wereld, vind het hier mooi. Hier, en alleen hier zou ik best vrachtwagenchauffeur willen zijn…

Zwarte piste

Na een fantastische overnachting in één van de meest bijzonder hotels waar geen 5 sterren in Las Vegas, Miami of Milaan tegenop kan, pak ik ‘s ochtends weer een klein stukje snelweg om daarna via het oostelijk en wat lagere deel de Sierra Nevada over te steken. 100 km westwaarts staan ze de ski’s alvast te waxen, voor mij is de afdaling naar de Alpujjaras een meesterlijk geprepareerde zwarte piste van gitzwart asfalt. Dios mío wat een weg. In mijn ooghoeken zie ik hoe mooi het hier is. Zink, zilver, ijzer, aluminium en rode oker kleurt de natuur in alle pastelkleuren die er bestaan. Eigenlijk moet je de hele route twee keer rijden… Een hinderlijk in de weg rijdende en zwaar gecamoufleerde Audi, die mogelijk over een jaar of drie de geschiedenis in gaat als de nieuwe Q9 en hier als prototype getest wordt, wordt er professioneel uit geremd. Man man man: wat een weg! En dat weten de autofabrikanten ook. Spanje mag dan bijna failliet zijn, half Nederland mag de financiële steun als weggegooid geld bestempelen, wie motor rijdt kan dat allemaal niets schelen.

Fout rijden bestaat niet, tenzij je op tijd thuis wilt zijn. Of in het plaatje van een Hotel Rural Valed al Abyadh in Vélez Blanco. Het plan nog even snel de tank vol te gooien voor de volgende dag valt volledig in het hier schaarse water. Elenora, de vrouwelijke variant van Jochem Meijer maar dan iets drukker, bestierd het enige tankstation ter wereld waar je het bonnetje na een half uur durende procedure drie weken later via de elektronische post opgestuurd kan krijgen. Wat een chaoot en hoe kostelijk deze gratis theatervoorstelling, wat jammer dat Fred Teeven en Ivo Opstelten hier 17 jaar geleden niet getankt hebben. Dan was het bonnetje nooit zoek geraakt…

Menu del anõ

De laatste dag alweer. Ik heb lichte hoofdpijn. De ober in de dorpskroeg leek wel een dirigent in zwart/wit tenue waarbij de maat uit de losse pols kwam. ´Belastingstreepjes´ op borrelglazen kennen ze niet. Nog nooit in mijn leven heb ik bij het inschenken aangegeven dat het wel genoeg was… De week is voorbij gevlogen, vanavond vliegt Transavia. Daarom voor vandaag een niet al te lange route door een stukje varkensland. 208 Kilometer, maar dankzij andermaal het veelvuldige bochtenrijk goed voor vier uur en drie kwartier en 208 in allerlei kleuren gespoten ‘punk’ varkens per vierkant kilometer. Hun huisjes (2 meter rioolbuis van 1,5 meter doorsnee) onder een laag aarde is wat kleiner dan waarin wij wonen, maar staan verder van elkaar dan de huizen in Drenthe. Niet-scharrel vlees bestaat hier niet. Slecht eten ook niet. Dat blijkt wanneer ik in El Tollé niet ín, maar buiten Restaurante La Cueva del Peregrino neerstrijk, in het laatste zonnetje voor de komende vier, vijf maanden. Hier kun je kiezen uit verschillende dagmenu´s, uiteenlopend van €10,- tot €18,- die in ‘alle Europese talen aangeboden worden´ en vooral in het Spaans. Mij wordt het dagmenu van €9,- aangeraden. En als je dan merkt dat je geen karig hapje voorgeschoteld krijgt en niet voor de extra Café con Leche moet betálen, weet je dat het financieel ook nóóit goed gaat komen met Spanje. Maar met de levensinstelling hier is he-le-maal niets mis. Met nog twee uur rijden voor de boeg neem ik een temperamentvol besluit: ik ga hier een lezersreis van maken, deze trip moet iedereen mee maken. En wie niet mee gaat is gek!

[DOWNLOAD DE ROUTE]

[BEKIJK DE ROUTE]

Harley-Davidson
Ik wil van mijn motorfiets af
Suzuki
Honda
Kawasaki
Caberg
Suzuki
BMW
Aprilia
KTM
KNMV
Ik wil van mijn motorfiets af
Dane
HJC
Schuberth
Harley-Davidson
Kushitani
Husqvarna
Nolan
Triumph
MotoPort
Difi
Indian
MACNA
Kawasaki
TT Circuit Assen
Ducati
Honda
Bridgestone
Arai
Moto Guzzi
Bovag
Bayard