TV, Magazine en Club voor motorfans!
Promotor
 | 

‘Is Jean-Claude Van Damme je neef?”’
Vaste prik. Alles met een uniform in Montenegro stelt mij altijd die vraag. Hahaha, ja: ik heb hem leren vechten.
Een beetje maaien met de armen, hopla mep ik bijna de zonnebril van m’n neus. Allemaal lachen en daar davert alweer een stempeltje in mijn paspoort. Welkom in Montenegro.

Aan het meer van Plav ontmoet ik volgens afspraak Igor op zijn Ducati Hyperstrada. Aan de andere kant van de bergen die in het meer spiegelen ligt Albanië. Het wordt een gedenkwaardig weerzien in de taveerne aan de voet van de Verdoemde Bergen. Prokletije in het Slavisch, Bjeshkët e Namuna in het Albanees. Allemaal abracadabra-gebied. Vanuit Plav gaan we daarover via de Cakor-pas naar Kosovo. Klinkt goed, ziet er spannend uit op de kaart. We willen graag, maar mogen niet.

Montenegrijnse bromsnorren in een terreinwagen versperren ons de weg.
‘Cakor verboten!’
Waarom dan?
Geen antwoord, duidelijke gebaren. Terug jullie!

We vermoeden iets van smokkelaars met wapens, drugs, slavinnen en onvrijwillig afgestane donororganen. Dan maar via de volgende grenspost op de kaart, via Rozaje. We lijken over het asfalt langs de toppen van de Zwarte Bergen te zweven. De met dennenbossen begroeide berghellingen rollen door tot in Kosovo.

Middeleeuwse mystiek

Jean-Claude Van Damme je neef?’
Stempeltje hier, stempeltje daar.
Tot ziens Montenegro!

Aan de grens met Kosovo gaan ze nog verder. Daar weten zowel de douanier als de verkoper van de verplichte WA-verzekering dat ik al een paar keer eerder op m’n BMW in Kosovo ben geweest. Je moet er nu eenmaal doorheen op weg naar Macedonië en Griekenland, als je tenminste niet langs de kust blijft rijden.

Dan ligt er ineens de broeierige vlakte van Kosovo onder ons. De weg daalt af met een rits haarspeldbochten langs een bruisende waterval, bron van de Witte Drin die we stroomafwaarts volgen tot in Peć, of Peja zoals de stad in het Albanees heet.

Het patriarchaat van Peć, een groep kerken ten westen van de stad, is een van de belangrijkste monumenten van het Servische verleden. Eeuwenlang was het ’t centrum van de Servisch Orthodoxe kerk. Het complex heeft een dak met drie koepels en bestaat uit drie kerken, een gemeenschappelijk portaal en een extra kerk van St. Nicolaas, die er aan de zuidzijde aan is geplakt.

De abdis Moeder Fevronija is ouder dan negentig jaar, haar naam is de laisser passer waarmee we van de KFOR-soldaten het terrein mogen betreden. Zij bewaken het Servische heiligdom tegen Albanese agressie.

Zuster Dobrila is iets jonger, 86 jaar en zij laat ons het kloostercomplex zien. Ze spreekt Frans met Igor en mij. Een vrouw van de wereld, al is die voor haar beperkt tot het klooster en de paradijselijke tuin, omgeven door prikkeldraad en bewaakt door gewapende militairen. Rozen, bloembedden, klaterend beekje, vogels, bijenkorven en een boomgaard met 800 jaar oude moerbeiboom. 

Met één stap verruilen we deze idylle voor een duistere wereld vol middeleeuwse mystiek. Blauw, rood, paars, goud. Muren en hoge plafonds zijn beschilderd met iconen. Het doet denken aan een stripverhaal, maar kan dat zo ontroeren en de haren in de nek overeind laten staan? St. Dimitris, St. Apostoles, St. Heilige Moeder, St. Nicolaas. De vier kier kerken vormen samen één geheel en zijn toch ieder verschillend. Sinds de dertiende eeuw zetel van de Servische aartsbisschoppen en patriarchen, die hier worden ingewijd en ook begraven liggen.

Voor de meeste Serviërs is Kosovo synoniem voor Stara Srbija, het Oude Servië waar Serviërs de laatste eeuwen stelselmatig zijn onderdrukt, vervolgd en verdreven door de Ottomanen en hun Albanese hand-en-span-dienstverleners. Door kolonisatie uit het islamitische Albanië verschoof de demografie in het Servische hartland, waar minerale schatten (goud, zilver, zink…) en vruchtbare landbouwgrond vanouds de rijkdom leverden om kloosters, kerken en kastelen mee te bouwen en te verfraaien.

In de Middeleeuwen lag Peć aan een van de belangrijkste handelsroutes door de Balkan, over de nu voor ons gesloten Cakorpas. Na het kloosterbezoek rijden we door de nauwe canyon van de Rugova Klisura. Onder steile rotswanden van honderden meters hoog slingert de smalle asfaltweg.

De laatste zeven kilometer glibberen we over een avontuurlijke modderweg vlak langs de bruisende rivier, dan eindigt de weg bij het gehucht Bogë. Ook van deze kant blijft de Cakor-pas ontoegankelijk.

Als de zon ondergaat wordt het kil in de nauwe kloof waar de weg doorheen voert. De rivier lijkt harder te bruisen, de wereld voelt nog meer verlaten aan. We zoeken in bergdorpen naar onderdak, dat we uiteindelijk vinden in Motel Gryka, met vers bergwater uit de kraan en verse forel op tafel. ’s Nachts davert de rivier Lumbardhi oorverdovend onder onze blokhut langs.

Byzantijnse tradities

Na deze Balkan-idylle rijden we de volgende dag weer in de Kosovaarse realiteit door het heden en verleden van Groot-Albanië en Oud-Servië. Het Servische klooster Visoki Dečani heeft Albanese bommen en granaten overleefd en wordt nu tegen Albanese aanvallers en plunderaars bewaakt door KFOR-troepen.

‘Door de eeuwen heen vonden monniken een schuilplaats aan de Bistrica-rivier, onder het Verdoemde Gebergte. Het klooster is tijdens zijn ontstaan in 1335 bijna voortdurend aangevallen en geplunderd,’ melden de monniken van Dečani in hun boekje dat we, ook in het Engels vertaald, in de klooster-shop kunnen kopen. Maar als een feniks uit de as verrees het klooster steeds weer, een mooi gegeven voor Servische mythologie natuurlijk.
Als Igor en ik onze paspoorten laten zien mogen we het klooster betreden waar volgens het monnikenboekje de intacte overblijfselen van kerkvader St. Stefan Uroš III Dečanski, koning van Servië van 1321 tot 1331, nog steeds wonderen verrichten met blinden, doofstommen, geestelijk getroebleerde of gestoorde zielen en onvruchtbare vrouwen, om er maar een paar te noemen. Het kan ook als motorrijder nooit kwaad om stilletjes de protectie van zo’n alom gewaardeerde schutspatroon af te smeken, in het donker waar de andere motorrijder je niet ziet.

Mochten we ooit de Ducati en de BMW willen verfraaien met een special paintjob, dan zijn we bij de Dečani-mannen aan het juiste adres om ons de beginselen van het iconenschilderen bij te brengen. Geheel volgens de oudste Byzantijnse tradities, met eiwitten en gouden beplating. 

Nation building

De motorbanden likken aan de tenen van de Albanese bergen. Dan rijden we weer een Kosovaarse boomtown binnen. De oude binnenstad van Gjakova lag na de oorlog van 1998-1999 in puin, maar wordt weer in de oude stijl opgebouwd. En motorrijders met Nederlandse nummerplaten zijn er graag geziene gasten. Want Nederland, dat is NAVO en NAVO bombardeerde in 1999 de Serviërs, die daarop massaal uit Kosovo vertrokken. Nu wapperen er alleen nog Albanese vlaggen en zijn wegwijzers en plaatsnaamborden met Servische namen erop onleesbaar gemaakt. We rijden door de winkelstraat met Ottomaanse architectuur, terrasjes op de stoep waar mannen koffie, thee en raki drinken.

Ho ho, de heren krijgen bijna ruzie om wie ons het eerste mag verwelkomen. Een theedrager brengt ons glaasjes op zijn blad, gratis en voor niks. Een fietser begroet ons in wel vijf verschillende talen, verontschuldigt zich het Nederlands niet machtig te zijn, als troost krijgen een ketting van om zijn nek met de Albanese tweekoppige adelaar eraan.  

Nevruz Gashi is eigenaar van Hotel Amsterdam in Gjakova. Vraag hem naar hoe en waarom en je krijgt een vaag antwoord. Laat ook maar. Nevruz nuanceert de wees-welkom-euforie een beetje. Ja, de mensen zijn dolblij met bezoekers uit Nederland, met toeristen van waar dan ook. Want de fabrieken die hier vroeger stonden zijn na de oorlog van 1999 en het vertrek van de Serviërs gesloten, er is alleen nog een bierfabriek open. Werkloosheid massaal, Kosovo is afhankelijk van geld van buiten. Van wat familie uit de diaspora naar huis sturen. Meer dan tweehonderdduizend Kosovaren werkten voor 1999 in het harde-valuta-buitenland. Zo’n 800.000 Kosovaren vluchtten in de oorlog naar het buitenland. Velen zijn teruggekeerd, gedwongen of niet, maar ook velen sturen nog steeds geld naar huis. Kosovo is verder afhankelijk van wat EU, NAVO, KFOR en alle andere buitenlandse suikerooms in Kosovo pompen en wat hun duizenden goed betaalde employees in Kosovo zelf uitgeven. Al die restaurants, al die hotels, al die winkels? De meeste Kosovaren hebben er zelf het geld niet voor hoor. Als de geldkraan van buiten dichtgaat, knapt de zeepbel. Dan is de droom voorbij.

Tot het zover is koesteren zowel de Kosovaren als Igor en ik nog de illusie van een geslaagd staaltje nation building op de Balkan. Elke Albanese man, familie of clan lijkt er zijn eigen benzinepompmerk op na te houden. Al die horeca is nooit verkeerd langs de prachtige bergwegen en als er weinig klanten zijn hoeven we niet te wachten, worden we sneller en beter bediend. 

Woeste herdershonden

Prizren is het meest exotische stadje van Kosovo en misschien wel van de hele Balkan. Omgeven door bergen, skyline van (steeds minder) kerktorens en –koepels en (steeds meer) minaretten, fort op de bergkam, Romeinse opgravingen, oude ‘Turkse’ binnenstad…

Na de oorlog trokken veel Serviërs al weg, in 2004 zo’n beetje de rest nadat Albanese amokmakers het Servische woongebied in een rokende puinhoop veranderden. Servisch Orthodoxe kerken en kloosters werden vernietigd, de iconen een muurschilderingen voor zijn voor eeuwig verloren. Daarvoor komt de ene na de andere moskee in de plaats, groen-witte zeepbellen die uit Turkije en Saoedi-Arabië naar Kosovo worden geblazen. Er zijn al meer dan dertig minaretten en de betonmolens draaien door.

Aan de overkant van het fonteinplein en de boogbrug over de bruisende Bistrica nemen we een kijkje in de Dervishen-tekke Halveti tekke. Ruisende fontein, lounge-kussens, mooie houten en stenen gebouwen. Een jongen die hier verblijft vertelt over de vredelievende boodschap van deze tak van islam. ‘Als je haat in je hart hebt hoor je hier niet thuis.’ Goed om ook weer eens met eigen ogen en oren te vernemen dat de islam meer is dan IS en Al-Qaïda uit onze westerse media. Vrede op aarde en motorrijders een welbehagen.

Vanuit Prizren rijden de Ducati en de BMW door de kloof van de Bistrica, die qua oh’s en ah’s makkelijk kan tippen aan de Rugova-canyon. Met de ene bocht na de ander rijden we dieper in het berggebied Šar op de grens met Macedonië. Verlaten, uitgestrekt, ruig. Er leven beren en wolven en de kuddes worden dus beschermd door woeste herdershonden van het ras Šarplaninac, die gelukkig goed naar hun baasjes luisteren als twee motorrijders ongehavend willen passeren.

Šar heeft Servische mijnstadjes en een skigebied met typische Joegohotels uit de Tijd van Voor de Strijd. Waar geen Serviër meer komt en de Albanezen van Kosovo piepen kennelijk liever de grens over naar Albanië, waar hun de berglucht beter bevalt. De hotels zijn verlaten en vervallen, net als de paar sporadische Servische dorpjes waaruit nog niet alle sporen van de verliezers van het laatste conflict zijn uitgewist. Waar twee vechten hebben twee schuld? ‘Ja, maar hij begon!’ Ook Serviërs hebben door de eeuwen en in het laatste conflict tegen Albanese mede-Kosovaren gruweldaden begaan.

Servisch hartland

Uit de bergen rijden we op de bakplaat van Kosovo Polje, de stoffige, hete vlakte waarover Klein-Azië zich tot in Europa uitstrekt. Stof, kuilen, fietsers, tractors, paardenwagens en snelle SUV’s van zakenmannen en ‘buitenlandsehulpverleners’.

Een paar kilometer ten noorden van de verkeerschaos Pristina staat een monument voor een slag van meer dan 600 jaar geleden, waarvan de effecten tot op heden doordreunen. Kosovo Polje. De Slag op het Merelveld. Sinds 1953 staat er een gemetseld torentje van zo’n 25 meter hoog, na zo’n honderd traptreden omhoog hebben we uitzicht op de Vlakte der Merels. Nu roken er schoorstenen van de elektriciteitscentrale, maar op 15 Juni 1389 vond er een veldslag plaats tussen Serviërs en Ottomanen. De slag was onbeslist, maar in de loop der tijd maakten de Serviërs er een nationale mythe van: zij hadden deze veldslag om Christelijk Europa verloren, waarna de Balkan eeuwenlang zuchtte onder het Ottomaanse juk. In 1989 hitste de Servische president Milošević hier de Serviërs op, een aanloop naar de oorlogen die begin jaren negentig Kroatië, Bosnië-Herzegovina, Servië en Kosovo lieten sidderen.

Beneden aan de trap komen we een continent bellenblazers tegen, leden van de internationale politiemacht in Kosovo. Waaronder een aantal Nederlandse dienders, maar die willen niet op de foto en geen commentaar geven, want dat zou door lezers van een Nederlands motortijdschrift wel eens kunnen worden uitgelegd als partijtrekken en voor je het weet staat de hele Balkan wéér in lichterlaaie. 

Dat brengt ons bij de volgende vraag. Is zo’n streek als Kosovo eigenlijk wel leuk om met de motor doorheen te rijden? Al die narigheid, ruïnes, haat, dreigende graffiti en verwoesting? Antwoord: jawel, want juist door die prille vrede zijn de mensen er extra gemotiveerd om iets van het leven te maken. Welkom motorreiziger! Fijn dat u er bent! Vergelijk het met de eerste lenterit na een lange winter. Die is ook vaak de mooiste van het hele jaar. Want alles is weer nieuw en fris als op de Eerste Dag. 

Grimmige grenzen

Bij de mijnstad Kosovo Mitrovica hebben de Kosovaarse Serviërs het nog voor het zeggen. Hier geen minaretten en rode vlaggen met tweekoppige Albanese adelaars. Roadblocks, wachttorens, zandzakken, prikkeldraad, Spaanse ruiters, pantserwagens en gewapende militairen in gecamoufleerde bunkers. Allemaal KFOR-spul. Europa heeft nog maar een paar ouderwets grimmige grenzen over. Aan de Grieks-Turkse grens over rivier Evros staan de buren nou niet bepaald vriendelijk naar elkaar te zwaaien. Op de Green Line tussen Zuid- en Noord-Cyprus evenmin en tussen Moldavië en Transnistrië wil het ook al niet boteren. En dan is er het gevalletje Kosovo, eenzijdig door de Albanese bewoners onafhankelijk verklaard van moeder- en vaderland Servië. Alleen komt Kosovo er beter vanaf dan bijvoorbeeld Transnistrië, want Kosovo wordt zo’n beetje door de hele wereld als soevereine staat erkend. Behalve door Servië waar het tot 2008 wettelijk deel van was. 

De recente geschiedenis heeft Serviërs eenzijdig tot verliezers verklaard. Dat maakt hun zaak voor mij sympathiek. Boze oude blanke mannen onder elkaar. Bovendien vind ik hun eerbiedwaardige kerken, kloosters, iconen en partizanenmonumenten veel mooier dan de schreeuwerige kitsch in Kosovo, waar weinig van overblijft als de zeepbel uit elkaar spat. Servië staat op zichzelf, Kosovo ligt aan het infuus van NATO, EU, Saoedi-Arabië en de rest van de internationale gemeenschap. En zolang als dat duurt is het een fascinerend gebied om op de motor te verkennen.

Toeristische informatie

Reisbureau met schat aan kennis en contacten in Kosovo, Servië en de rest van de Balkan:

www.panacomp.net. Om je nog beter voor te bereiden: www.kosovo-info.com en www.kosovo.net.

[ DOWNLOAD DE ROUTE ][ BEKIJK DE KAART ]

Harley-Davidson
Ik wil van mijn motorfiets af
Suzuki
Honda
Kawasaki
Ducati
TT Circuit Assen
HJC
BMW
Schuberth
Aprilia
Kawasaki
MotoPort
Harley-Davidson
Husqvarna
Dane
Arai
Ik wil van mijn motorfiets af
Bridgestone
Nolan
Honda
KNMV
Bovag
Bayard
KTM
Caberg
Triumph
Difi
Kushitani
Suzuki
Moto Guzzi
MACNA
Indian